|
De deurwaarder
(Eva nr 12,
1961)
Toen hij de vorige avond met vrouw en kinderen in
zijn huiskamer naar haar had zitten kijken op het televisie-scherm, had ze
hem in close-up zo verloren aangekeken, dat hij er de hele nacht niet van
had kunnen slapen. En nu hij in de vroege morgen door de straatjes van
zijn wijk liep, tussen de kleine salarissen, pensioentjes en ongeregelde
inkomens, tussen het geschipper met kleine materiële zorgen, waar hij als
belasting-deurwaarder meer de consulent dan de deurwaarder was, beving hem
een spanning van een heel andere soort. Hij was al vaak langs haar
deur geweest, met een tas vol aanslagen, maar ze was nooit thuis. Maar na
de close-up van gisteravond, moest hij haar zien. Hij belde aan, maar er
werd niet opengedaan. Hij keek door de brievenbus en zag een paar kleine
blote voeten een deur ingaan. Hij klepperde met de brievenbus, de voeten
kwamen terug, de deur ging van het slot en ze keek hem geërgerd aan in een
witte, zijden ochtendjas. Hij stamelde wie hij was en zij zei, dat ze geen
tijd had en dat hij 's middags terug moest komen. Ze had een schorre,
donkere stem en ze was ongeschminkt en met verwarde haren nog mooier dan
gisteravond. Mechanisch kwam hij de volgende uren door. 's Middags was ze
nog in haar ochtendjas en liet hem binnen in een kleine kamer met witte
meubelen en gouden spiegels.
Hij dorst bijna niet
naar haar te kijken en hij haalde de aanslagen zo onhandig uit zijn tas,
dat ze bijna scheurden. Ze vroeg hem of hij zijn jas uit wilde doen en gaf
hem een glas sherry en zei lachend dat ze geen geld had. Na drie
glazen sherry sprak hij over haar spel van gisteravond en over de
televisie in het algemeen, terwijl hij nerveus op de punt van zijn stoel
zat en zij op een divan, bekleed met langharig wit bont, lag. Hij beloofde
haar te zullen helpen en zij liet hem glimlachend uit. 's Avonds was hij
afwezig en staarde met vrouwen kinderen naar een documentaire op de
televisie. De volgende dag ging hij naar de kapper en kocht een nieuwe das
en er werd die dag niet opengedaan. Thuis kreeg hij ruzie met z'n vrouw om
de das en de geparfumeerde brillantine, en er werd grimmig naar de
televisie gekeken: een thriller. De volgende dagen werden een
kwelling, omdat hij haar niet thuis trof en urenlang in een café aan de
overkant zat, terwijl hij haar voordeur fixeerde, zijn werk verwaarloosde
en begreep, dat het zo niet door kon gaan. Op een middag zag hij haar
aankomen; hij holde naar haar toe en werd vuurrood door dit onbeheerste
gebaar, dat hem verraden had. Men een spottend glimlachje liet ze hem
binnen en bood hem weer sherry aan. Hij amuseerde haar door zijn slecht
gespeelde zakelijkheid en de zorgvuldig gekamde haren over een kaalwordend
voorhoofd. Zij schoof zijn papieren opzij en vroeg over zijn werk.
Hij vertelde over de pensioentjes en kleine salarissen met een jonge
vibratie in zijn stem als een liefdesverklaring. Terwijl zij op de
witharige divan lag, sprak hij in cijfers over zijn liefde voor de mensen.
Hij keek haar vurig aan, als hij sprak over belasting-jaren alsof hij een
mooie vrouw beschreef. Terwijl zij glimlachend luisterde, praatte hij als
een rekenmachine, die z'n verliefdheid de vrije loop laat. Totdat de bel
ging. Een jongen kwam binnen met rozen. Er werd voorgesteld: de
aanstaande echtgenoot, er werd beleefd nog een glas sherry gedronken, er
werd uitgelaten. Toen hij buiten kwam, keek hij verdwaasd in de
ondergaande zon en ging met de tram naar huis. 's Avonds was er het
journaal op de televisie, een cabaret en een dagsluiting. Toen hij naast
zijn vrouw in bed lag met natte ogen, greep hij haar hand en zo lagen ze
minuten lang doodstil, zonder dat zijn vrouw hem iets dorst te vragen.
De volgende dag liet hij zich overplaatsen naar een andere buurt.
© Ramses Shaffy, 1961
De glimlach
(Eva nr 17,
1961)
Als ze voorbij kwam, glimlachten de mensen welwillend
tegen haar, omdat ze lelijk was. Ze was kort en plomp, verkeerd gekleed..
stootte glazen om en brandde zich aan haar eigen sigaret. Thuis sprak haar
moeder altijd over trouwen en organiseerde avondjes voor haar om jongens
te ontmoeten, die na een paar glazen wijn de benen namen, omdat ze niets
zei en aan één stuk door zat te blozen. Zulke avonden waren beledigend
voor haar en ze werd er radeloos van. Ze werd ouder en haar omgeving
keek haar medelijdend aan. Als ze in een gezelschap was en een jongen zei
iets tegen haar, kreeg ze zenuwlachen en kneep haar glas stuk. Haar moeder
wilde haar naar een psychiater sturen, maar dat weigerde ze. Ze vermeed
liever elk contact met de buitenwereld en berustte in haar eenzaamheid.
Gewoonte
getrouw zat ze op een zondagmorgen in de kerk. Onbeduidend zat ze tussen
haar ouders op de lange bank en keek strak voor zich uit. Het orgel
preludieerde en ze hoorde de mensen binnenschuifelen. Als een
trompetsignaal kwam een jongen in een rode trui en een spijkerbroek in
haar gezichtsveld en ging op de bank voor haar zitten. Ze kon het niet
onderdrukken en lachte hoog en schel door de koele ruimte. Haar moeder
legde geschrokken een hand op haar arm en ze voelde honderden verbaasde
blikken op zich. Ze Snakte naar adem en wilde de kerk uitvliegen, maar
haar moeder hield haar tegen. Als in een flits zal ze, dat de jongen naar
haar keek, vriendelijk naar haar keek en ze boog haar hoofd diep en het
gezangenboekje trilde in haar handen. De dienst begon en langzamerhand
werd ze rustiger. Onder het bidden keek ze schichtig naar de jongen,
die met z'n handen in z'n zakken naar het hoge kerkraam zat te kijken.
Terwijl Iedereen in gebed verzonken was, zat hij naar boven te kijken,
alsof hij In een bos lag onder de blauwe hemel. Opeens voelde ze zich niet
erg rustig en kreeg plotseling een vreemde moed, een wonderlijke vrije
gedachte. Gesteund door de oneindige afstand van de twee banken, dorst ze
het naar hem te kijken. Niet voorzicht, niet zo nu en dan, maar met ogen,
die hem streelden. Terwijl hij naar het hoge raam keek streelden haar Ogen
zijn mond, zijn hals, zijn haar. Ze dorst het, al was het maar uit de
verte, maar Ze dorst hem lief te hebben. Haar Ogen kusten hem, ze kusten
zijn handen, z'n borst. Een vloedgolf van geluk stroomde uit haar Ogen.
Haar ogen wasten zijn kleren en kookten zijn eten. Haar Ogen zongen voor
hem in de kleine, welige uren, als hij moe van z'n werk kwam en hij
helemaal van háár was. Haar ogen lachten met hem om dierbare, onnozele
dingen en gaven hem kracht als hij tegen de wereld opzag. Terwijl het
orgel dreunend dreunde door de hoge ruimte, baarden haar ogen hun kind.
Haar ogen begroeven hem, toen de dienst uit was en hij nonchalant de kerk
uit ling. Haar gezicht was nat van tranen en toen haar moeder haar
verbaasd aankeek, glimlachte ze. En als de mensen sindsdien tegen haar
glimlachten, omdat ze zo lelijk was, glimlachte ze terug.
© Ramses Shaffy, 1961
Hetty Blok: onvermijdelijk talent
(Eva nr 3,
1960)
Als ik Hetty Blok op wil bellen, neem ik eerst eerst
een stoel bij de telefoon, want ik weet, dat ik voor dit gesprek de tijd
moet nemen. Aan de andere kant van de lijn komt dan een vertrouwd hoog
stemmetje: "Dag..." Lange pauze.. "Daag, ik heb vandaag een gróte auto
gezien, zóóó groot... heb jij een auto? Wij wel... een nieuwe.., hééééél
groot en er was een hond op straat, heel lief en ik heb met hem gespeeld,
met oma... en mammie en ik heb gevoetbald, op het weitje, tussen de
geitjes..." Zoals de groten der wereld eerst hun secretaris de haak
laten opnemen, voordat zij zelf komen, wordt deze functie bij Hetty
behartigd door haar prachtig, blond, vijfjarig zoontje, dat met honderden
explosies van uitgelaten vrolijkheid door het huis huppelt, lacht en de
wereld voor zich inneemt. Een oneindig dierbaar wezentje, dat stil
naar zijn moeder kijkt, als ze voor hem speelt, zingt en met onbeperkte
fantasie eindeloze verhalen improviseert, die alleen hun einde vinden
omdat de tijd hen oplegt om af en toe te werken, te eten of naar bed te
gaan. "Victor, dag Victor... is je moeder thuis?" Dan komt er weer een
lawine van wat hij en mammie allemaal gedaan hebben en eindelijk komt
Hetty. Op een gekkig toontje excuseert ze de hartelijkheid, waarmee ze je
goedendag zegt en komen de verhalen in lange uithalen en een half uur lang
zitten twee mensen, gescheiden door vele straten, te gieren op een stoel
bij de telefoon... vergeten regendruppels vallen plom-plom-plom met de
bladeren in de grachten en er komt een klaarte in de lucht boven
Amsterdam. Een zilte zeewind vertelt oude verhalen en de stad is opeens zo
oud en avontuurlijk... Ik geloof, dat ik Hetty af ga halen met de
scooter om een eind door de polders te gaan rijden. Dat hebben we nóg eens
een keer gedaan, midden in de winternacht. Halverwege was er geen
benzine meer... een onverkwikkelijk ogenblik; het was koud, donker en het
regende. Hetty redde onze humeuren door de situatie te gaan spélen. Zij
was "Sjaan" en Ik haar verloofde, die haar een keer mee uitnam.
Terwijl ik de scooter voortduwde over de onmetelijk lange landweg liep
de dienstbode van familie Doorsnee pruttelend naast me, mokkend om haar
verwoest permanent en haar moeder, die het niet goed vond, dat ze 1aat
thuis kwam en ik was een verloofde van het jaar nul met m'n "rotscooter"
en dat ze nog eens een keer met me uit zou gaan! Ze trok haar plastic
regenscherm over haar ogen en na een paar keer bijna in de plassen beland
te zijn met d'r "goeie kousen" en d'r "goeie goed" kwamen we uitgeput van
het lachen bij een benzinestation.
Ja,
raconte-moi quelque chose de jolie... 't zijn altijd flarden van sfeer,
die bij je opkomen als je over iemand schrijft, die je maar af en toe
ziet, omdat je een liedje voor haar gemaakt hebt of omdat je haar
tegenkomt op een terras... een feest... in een theater. De eerste keer
in het Leidseplein Theater, op een middag in een donkere, lege zaal. Hetty
stond op het toneel te repeteren; intens, oerkrachtig van concentratie.
Jazz-fantasia. Cor Lemaire begeleidde haar aan de piano. Jazz-fantasia,
een Amerikaans gedicht op muziek van Cor. Fantastische, ritmische
harmonieën en Hetty zong met een donker, vol geluid en haar plastiek was
niet mooi... het was veel gróótser dan zo maar mooi, het was sidderend van
beeldingskracht. Ze is een belangrijk kunstenares; we zouden haar veel
meer moeten zien. Maar ze is voor alles vrouw, met een man en kind. Ze kan
haar gezin en haar vak moeilijk combineren. Ik geloof, dat ze voor haar
huwelijk voornamelijk door haar werk in beslag genomen werd. De cabarets
van Wim Sonneveld, de radio, avonden hier en daar en vooral de
fantastische programma's met Cruys Voorberg. Naderhand waren het haar man
en Victor, maar Victor is nu groter geworden en ze heeft meer tijd... het
eeuwige probleem van een groot talent te hebben, dat eigenlijk alles op
zou moeten eisen en toch alleen vrouw willen zijn. Deze tweespalt
maakt werkeloos en dat kan gaan vervelen. Maar dan trippelt Victor
Weer jubelend de kamer binnen en de lucht zit vol lachende oogjes en 'n
warm gevoel stroomt als een brede rivier naar de oorsprong van alle
gedachten.
Als ik soms 's avonds op straat loop, stopt wel eens snerpend de auto
van Hetty en haar man om naar een feest te gaan of ergens wat te gaan
drinken. In een hol atelier gekomen vol alleendansende, trance-achtige
jongens en meisjes, voelt Hetty zich tussen deze "volwassenen" een
onmondig kind en elke extravagance neemt ze met een nieuwsgierige
verbazing. Het is of ze iets inhaalt, waar ze vroeger door met veel
doorzettingsvermogen te werken, en nog eens te werken, niet aan toekwam.
Ze is gezond, verkwikkend gezond, zoals laatst, toen er bij mij thuis
een verveeld samenzijn was van in stoelen en canapé's hangende mensen
zonder conversatie. Ze kwam binnen met een briljant verhaal en
electrlseerde alle doffe ogen, alsof ze een geïnspireerde voorstelling In
de provincie gaf. Ze tartte hiermee alle gebrek aan energie bij jonge
mensen. En ze tartte zichzelf, haar onvermijdelijk talent. Ik vroeg me
af, wat er gebeurd was, voor ze naar ons toekwam. Ze was vrij en verloren
zoals ik haar zelden gezien had. Het was een Jazz-fantasia met andere
tekst. Hetty was oergezond en krachtig en blij en soms heerlijk "gek".
Ze liet ons allemaal achter haar en het was alsof er een zeewind vol
oude verhalen van avontuur de herfstbladeren In de straten aanveegde.
"Raconte-moi quelque chose de jolie, chérie..." het is een klein liedje;
zij alleen mag het zingen.
© Ramses Shaffy, 1960
Ingrid Valerius: Een begin
(Eva nr 46,
1959)
Ingrid, Inge, Ingetje... Ik heb haar eens
geschilderd, een paar jaar geleden. Ze werkte toen bij Wim Sonneveld en
had een geblondeerd rattehoofdje. Het schilderij werd een kwajongensachtig
meisje in een nachtelijke straat, waar sneeuwklokjes groeiden. Ik
beschrijf dit niet om mijn lyrische kijk op het leven bij u te
introduceren, maar meer om mijn lyrische kijk op Inge. Nacht en
sneeuwklokjes en een mes om gevoelens, die te groot zijn, mee af te
kappen. Daglicht, kleren, luxe, die er niet is en veel lachen. Weer nacht,
willen praten, maar geen woorden kunnen vinden, te jong en te oud tegelijk
en in donkere straten verlaten naar huis lopen, om het allemaal in haar
versjesboek neer te schrijven. Weer dag... hard repeteren en 's avonds:
spotlight, theater!
Zo was ze ongeveer, toen ze bij Wim Sonneveld werkte, zestien jaar.
Ze had talent, dat was duidelijk, maar naast een zekere dans techniek,
die ze had opgedaan door links en rechts te trainen, waren het vooral haar
zuiverheid en een ontwapenende, uitdagende charme, waarmee ze het publiek
voor zich innam. Vooraf aan dit alles ging een wonderlijke jeugd, die
door anderen zwaar gecritiseerd werd en wordt. Door haar moeder werd ze
heel vroeg vrijgelaten, misschien tè vroeg. Maar haar moeder, die een
bijzondere vrouw is, heeft haar openheid meegegeven en geleerd jezelf te
blijven en dat voorzichtig leven leiden kan tot geleefd worden en dat is
dikwijls een gevangenis. Vrij worden is een creatieve arbeid en het
vraagt soms een heel leven en je kunt er niet vroeg genoeg mee beginnen.
Maar toen ze
nog bij Sonneveld werkte, was ze nog zo jong en ongedisciplineerd en had
zulke slechte manieren, dat ze uit het programma werd gezet. Ja, dat is
natuurlijk weer het risico... break down, buitengesloten. De jaloerse
vriendinnetjes zeiden: "Ha, fijn!" De toneelmensen vonden haar een aardig,
maar onmogelijk kind en het was haar alsof de hele stad haar uitlachte. Ze
was teruggevallen tot het meisje, dát 's avonds ging dansen, omdat ze
niets beters te doen had... ze was ongelukkig. Een wijze vriend hitste
haar op om naar aanleiding van een voorval een proces tegen Wim Sonneveld
te beginnen en dat is nogal geruchtmakend geweest; alle kranten hebben er
vol van gestaan. Het proces had iets heel geks en het pleit, voor allebei,
dat ze heel gauw erna weer de beste vrienden zijn geworden. De
justitie had iets aardigs, maar daarna was er weer de verveling in de vorm
van poseren, showtjes lopen en de hele wereld kwaad aankijken, om ze vóór
te zijn. Een paar lessen nemen, maar dat is moeilijk voor Inge, als er
niet onmiddellijk doel is. En daar komt opeens de man aan wie ze veel
te danken krijgt: de danser Albert Mol. Eerst begint hij schoorvoetend met
haar te werken: "Zou ze werkelijk talent hebben, zou ze wel op tijd komen,
zou ze me au sérieux nemen?" Gaandeweg krijgt hij er een enorm plezier
in en maakt programma's met haar. Hij leert haar "spreken", een liedje
brengen en pousseert haar in veel "schnabbels" en bij de televisie. Hij is
van plan om dit het volgend jaar enorm uit te breiden... nu staat Ingetje
aan het begin van alles. Ze moet van alles leren, maar het blijkt, dat
ze een tonéélpersoonlijkheid bezit, die bij elke entree als een speer de
zaal in schiet en de aandacht van de mensen weet vast te houden. Bij
een concours voor jonge cabaretiers, dat op een middag in het De la
Mar-theater werd gehouden, kwam ze op en iedereen hield zijn adem in;
daarna viel ze van pure zenuwen op de grond en zong toen een volslagen
onverstaanbaar liedje en toch was zij de enige van allen, die die middag
optraden, die mij van A tot Z geboeid heeft.
U moet haar heel goed onthouden. U zult er trouwens niet aan kunnen
ontkomen, want ze zal zich straks heel duidelijk bewijzen. Maar ze is
nog zo jong, pas zeventien en dus volslagen anders dan uw generatie en
zelfs anders dan de generatie, die zij vertegenwoordigt. Als ze zich nu
wil uitdrukken weet ze het in woorden om te zetten. Haar versjesboek
bewaart ze goed om te weten hoe ze het toen voelde, maar het behoort tot
het verleden. De donkere, verlaten straten laat ze aan anderen over, omdat
ze morgen weer vroeg moet repeteren. En het mes bewaart ze ook, omdat je,
als je bewust leeft, altijd kwetsbaar blijft. Maar misschien zal ze het
niet meer gebruiken... nu ligt alles open en wijd. Een begin... is er
iets spannenders?
© Ramses Shaffy, 1959
Twee stukken die Ramses in Rome voor Eva schreef
zijn hier te lezen...
...en zijn allereerste - autobiografische - artikel hier!
ramses.fanpagina.nl
|
|